In een bloedstollende finale heeft Marcel Krosenbrink de felbegeerde titel van de WSG Bekercompetitie voor de tweede keer veroverd. De ervaren schaker versloeg Paul van der Lee, die voor het eerst in de eindstrijd stond, in een zenuwslopende showdown.
Het toernooi, waarin in totaal 24 spelers streden, kende tal van verrassingen in elke van de vijf ronden. Opvallend was dat zelfs de spelers die op papier sterker werden geacht, minder bedenktijd hadden dan hun tegenstanders, wat voor onverwachte wendingen zorgde.
Twaalf jaar geleden werd Jochem Mullink de eerste winnaar van de beker. Vorig seizoen veroverde hij de trofee voor de vierde keer. Dit jaar afwezig, opende dit de deur voor een nieuwe kampioen, wie uiteindelijk Marcel Krosenbrink bleek te zijn.
Op weg naar de finale overwon Van der Lee indrukwekkend achtereenvolgens Bert te Sligte, Henk te Brinke, Luc van Harxen en Reinhard Funke. Krosenbrink, aan de andere kant, begon aarzelend aan het toernooi met een loting tegen Jesus Betancourt en vervolgens overwinningen op tweevoudig finalist Alfred Schley, clubkampioen Henri Abbink en Manfred Schmeing.
De finale tussen Krosenbrink en Van der Lee beloofde veel spanning. Beide schakers dachten goed na over hun zetten, wat resulteerde in een intens spel met de Caro Kann-opening. Krosenbrink wist druk uit te oefenen op de h-lijn, wat wit in de problemen bracht. Daarbij had Krosenbrink aanzienlijk meer bedenktijd, een cruciale factor in het toernooi waar geen extra tijd per zet wordt gegeven. Uiteindelijk, in een toreneindspel met een minuspion, liep de tijd van wit af en verzekerde Krosenbrink zich van zijn tweede bekerzege.
Ter Horst-Schley 1-0 | Amkreutz-Abbink 0-1 | Albersmann-Wilting ½-½ | Schmeing-Te Sligte ½-½ | Musholt-Van Harxen 1-0 | Van 't Slot-Herbst 0-1 | Wilterdink-Ruesink 0-1 | Derksen-Eckhardt 0-1.